Geluid en jurisprudentie

Van Luchtnieuws.nl

Ga naar: navigatie, zoeken

De mate waarin geluid ons fysieke leefmilieu mag beïnvloeden, is deels vastgelegd in wet- en regelgeving. Ontwikkelingen die invloed kunnen hebben op dit fysieke leefmilieu (zoals de ontwikkeling van infrastructuur en bedrijvigheid) is eveneens gereguleerd door wet- en regelgeving. Dit maakt dat voor deze ontwikkelingen over het algemeen een formeel besluit van een bevoegd gezag nodig is, voordat de ontwikkeling daadwerkelijk zijn doorgang mag hebben (bijvoorbeeld een bestemmingsplan of een milieuvergunning). In dergelijke besluiten moet dan aandacht zijn besteed aan de mate waarin de ontwikkeling het element geluid van de fysieke leefmilieu beïnvloed en de aanvaardbaarheid daarvan. Deze aanvaardbaarheid wordt dan over het algemeen omkaderd door de Wet geluidhinder (in geval van industrie-, weg- of railverkeerslawaai) en de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening.

De mate waarin de akoestische aantasting van het fysieke leefmilieu aanvaardbaar te achten is, is in deze wet- en regelgeving echter niet tot in de finesses gereguleerd. Bovendien kan onduidelijkheid ontstaan hoe een bepaalde concrete situatie in het licht van deze wet- en regelgeving moet worden geduid. Over het besluit van een bevoegd gezag, waarbij de akoestische aantasting van het fysieke leefmilieu aan de orde is, kan dus een verschil van inzicht ontstaan tussen het bevoegde gezag en een belanghebbende. Als dit verschil van inzicht gedurende de besluitprocedure niet wordt geslecht, kan tegen het uiteindelijke formele besluit beroep ingesteld worden. Afhankelijk van de aard van dit besluit dient dit beroep aanhangig gemaakt te worden bij de sector bestuursrecht van de arrondissementsrechtbanken of de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De uitspraken van deze rechtsprekende organen worden in zijn algemeenheid aangeduid als jurisprudentie. Met name op die vlakken waarin door de wet- en regelgeving niet concreet is voorzien of waar deze onvoldoende concreet is, kan deze jurisprudentie worden gebruikt als richtsnoer voor toekomstige besluiten.

Gelet op de enorme omvang van de jurisprudentie op het gebied van geluid, is het ondoenlijk op deze plaats een complete index van deze jurisprudentie op te nemen. In plaats daarvan worden op deze plaats de hoofdlijnen van de jurisprudentie op het gebied van de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening en de Wet milieubeheer besproken.


[bewerken] Handreiking industrielawaai en vergunningverlening

Voor de publicatie van de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening in oktober 1998, gold de circulaire Industrielawaai - door toedoen van de jurisprudentie - als pseudowetgeving. Sinds de publicatie van de Handreiking is in de jurisprudentie een zwaarwegend gewicht toegekend aan de bestuurlijke beoordelingsvrijheid. Feitelijk heeft dit gemaakt dat de toepassing van de beoordelingssystematiek van de Handreiking een vrije keuze van het bevoegde gezag is geworden. Illustratief voor dit punt is het feit dat het gebruik van een normering uit een Algemene maatregel van bestuur, voor een vergunningplichtige inrichting, door de Afdeling bestuursrechtspraak in stand is gelaten. Consequentie van deze wende is wel dat een zwaardere eisen worden gesteld aan de motivering van het besluit. Er zal gedegen moeten worden gemotiveerd waarom de aan de vergunning verbonden grenswaarden voldoende waarborg tegen geluidshinder bieden.

Ook inhoudelijk is door middel van de jurisprudentie ruimte geschapen voor de bestuurlijke beoordelingsvrijheid. Zo is bijvoorbeeld de beschermenswaardigheid van opstallen tegen geluidshinder niet slechts beperkt tot de geluidsgevoelige bestemmingen geduid met het Besluit geluidhinder, maar worden ook bijvoorbeeld kantoorpanden als beschermenswaardig aangemerkt. Daarbij hoeft de mate van bescherming tegen geluidshinder van dergelijke beschermenswaardige objecten overigens niet gelijk te zijn aan die van daadwerkelijke geluidsgevoelige bestemmingen.

Een bijzondere plaats wordt ingenomen door de jurisprudentie op het gebied van trillingshinder. In de Handreiking is voor dit niet geluidsfenomeen, een aparte paragraaf gereserveerd. De jurisprudentie op dit punt leert dat binnen de bestuurlijke beoordelingsvrijheid past om te kiezen tussen ofwel de beoordelingssystematiek volgens de Handreiking, ofwel de beoordelingssystematiek van de SBR-richtlijn 2. Als het bevoegde gezag kiest voor de Handreiking, dan kan evenwel geen gebruik gemaakt worden van de daarin genoemde omgevingscategorieën 4 en 5. Door een directe overname uit de Duitse regelgeving, kennen deze categorieën geen overeenkomsten met de Nederlandse situatie.

Tot slot wijst de jurisprudentie omtrent de zogenoemde "twaalf dagen regeling" erop, dat het bevoegde gezag bij toepassing van deze uitzonderingsbevoegdheid, eveneens een bestuurlijke beoordelingsvrijheid toekomt. De normstelling voor deze uitzonderingsbevoegdheid is immers ook bij hanteren van de Handreiking niet vastgelegd. Vooralsnog is het feitelijke gebruik van een normeringskader als een nota over evenementenlawaai daarbij niet in strijd met het recht geacht. Daarbij zal echter wel moeten worden gemotiveerd waarom een dergelijk toetsingskader in dat geval voldoende waarborg tegen onaanvaardbare geluidshinder biedt.


[bewerken] Wet geluidhinder

Zo de jurisprudentie op het gebied van de Handreiking al omvangrijk is, dan is de jurisprudentie op het gebied van de Wet geluidhinder dat des te meer.

Persoonlijke instellingen