Tracéwet
Van Luchtnieuws.nl
Toepassingbereik van de tracéwet
Bron: Tracéwet 2005
De (uitgebreide) tracéwetprocedure wordt gevolgd bij de aanleg van (een deel van) een hoofdweg, landelijke spoorweg of hoofdvaarweg (Tracéwet, art. 2, 1a).
De (verkorte) tracéwetprocedure wordt gevolgd in een aantal nader omschreven gevallen van wijziging van de (aanwezige)
hoofdinfrastructuur (Tracéwet, art. 2, 1b-e).
De Tracéwet verwijst voor de definitie van de begrippen hoofdweg, landelijke spoorweg en hoofdvaarweg naar de kaarten behorende bij een van kracht zijnde planologische kernbeslissing (pkb). Op dit moment is dat het Structuurschema Verkeer en Vervoer II (SVV-II). Het ligt in de verwachting dat de Nota Mobiliteit de volgende pkb zal worden.
In de Tracéwet zijn de activiteiten opgesomd waarvoor de verkorte tracéwetprocedure van toepassing is. Het gaat om de volgende
activiteiten:
Ten aanzien van hoofdwegen:
1. de ombouw van een weg tot autosnelweg;
2. de uitbreiding (#) van een weg met één of meer rijstroken, indien het uit te breiden weggedeelte twee knooppunten of aansluitingen met elkaar verbindt.
# Voordat de wet van 20 oktober 2005 in werking trad, werd gesproken over verbreding. Vanwege de wens om ook de zogenaamde benuttingsmaatregelen onder het bereik van de Tracéwet te brengen en naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 september 2004 (wegaanpassingsbesluit A2 Vught – Ekkerweijer), is gekozen voor de term ‘uitbreiding’. Zie daarover de memorie van toelichting (TK 2004/05, 29 859, nr. 3, p. 12).
Ten aanzien van landelijke spoorwegen:
1. een wijziging van een landelijke spoorweg waarmee Onze Minister de bruikbaarheid van die spoorweg beoogt te verbeteren, en die bestaat uit:
a. een uitbreiding van die spoorweg met één of meer sporen, indien het uit te breiden spoorweggedeelte twee aansluitingen met elkaar verbindt;
b. de aanleg van spoorwegbouwkundige bouwwerken;
c. de aanleg van een verbindingsboog; of
d. een geheel van onderling samenhangende maatregelen ten aanzien van die spoorweg.
2. het opnieuw in gebruik nemen van een reeds aangelegde landelijke spoorweg voor zover het gaat om een lengte van 5 kilometer of meer.
Ten aanzien van hoofdvaarwegen in de volgende gevallen:
een wijziging van de hoofdvaarweg, die bestaat uit:
a. een vergroting of verdieping waardoor het ruimte-oppervlak van de hoofdvaarweg met ten minste twintig procent toeneemt dan wel de hoofdvaarweg blijvend wordt verdiept waarbij meer dan vijf miljoen kubieke meter grond wordt verzet of
b. een verlegging van een rivier waarbij het zomerbed wordt verlegd en de verlegging een oppervlakte beslaat van ten minste 50 hectare.
Als een voorgenomen wijziging van de hoofdinfrastructuur (denk aan het aanleggen van een opstelstrook, het enkel opheffen van een overweg of het uitvoeren van alleen herstelwerkzaamheden aan een sluis) niet in bovenstaande lijst voorkomt, is de Tracéwet niet van toepassing. De verkorte procedure onderscheidt zich van de uitgebreide procedure, doordat hoofdstuk II van de wet niet van toepassing is. Dat hoofdstuk bevat bepalingen voor het maken van een trajectnota en ten aanzien van het standpunt. Met het overslaan van de fasen van trajectnota en standpunt kan direkt een ontwerp-tracébesluit worden opgesteld.
(In § 2 wordt nader ingegaan op de verkorte procedure.)
Het begrip tracé
Het begrip tracé is gedefinieerd in art. 1, lid 1h van de tracéwet. Hiernaar wordt kortheidshale verwezen. Bepaald is dat voor spoorwegen onder het tracé ook de aansluitende spoorwegen vallen waar sprake is van een Wgh-aanpassing. De desbetreffende tekst uit de Tracéwet is hieronder opgenomen. Opmerkelijk is dat deze bepaling voor het begrip tracé, blijkens de Tracéwettekst, niet lijkt te gelden voor wegen. Voor wegen is het uitstralingsgebied echter op een andere wijze beschermd (zie pm).
art. 1, lid 1h, 3. indien het de aanleg of wijziging van een landelijke spoorweg betreft:
- een nauwkeurige beschrijving van het daarbij te realiseren aantal sporen en
- de in acht te nemen grenswaarden voor geluidhinder en de aanduiding van de maatregelen, gericht op het terugbrengen van de verwachte geluidsbelasting van de gevel van woningen of andere geluidsgevoelige gebouwen onderscheidenlijk aan de grens van geluidsgevoelige terreinen als bedoeld in de Wet geluidhinder, met betrekking tot de aanleg of wijziging van de landelijke spoorweg, alsmede de aansluitende landelijke spoorweg waarop ten gevolge van de aanleg of wijziging sprake is van een aanpassing in de zin van artikel 106, eerste lid, onder l, van de Wet geluidhinder.
